Kerstmis - wat moet je ermee?


- door Lisette Thooft
kn1

Kerstmis – wat moet je ermee, als je niet meer gelooft in dat jongetje dat tweeduizend jaar geleden werd geboren uit een maagd om onze zonden op zich te nemen? Kun je er dan toch nog meer betekenis aan geven dan alleen familiebezoek en veel eten en drinken?

Een leuke traditie die eigenlijk al ouder is dan het christendom en erin is opgenomen, is die van de twaalf of dertien heilige nachten. De Germanen telden met maanmaanden, van nieuwe maan tot nieuwe maan, en hadden een dag of twaalf over aan het eind van het jaar. Die tijd noemden ze ‘tussentijd’ en ze bestempelden hem als heilig.
Toen ze gekerstend waren, bleef dat idee bestaan: de tijd tussen kerst en Driekoningen is een heilige tijd.
Kerstavond is de heiligste nacht van allemaal, de stille nacht, waarin het kind geboren wordt. Daarna volgen nog twaalf heilige nachten: de laatste is op 5 januari, aan de vooravond van Driekoningen.

Volgens het volksgeloof staat de hemel in die tijd extra open. De sluier tussen materie en geest is dunner dan anders. Zo ongeveer als de ozonlaag soms dunner is dan op andere tijden. Maar dit is juist goed, want het contact met de geestelijke wereld is makkelijker dan anders. Een oud idee was bijvoorbeeld dat je de taal van dieren zou kunnen verstaan in de kerstnacht.

Je kunt ook makkelijker voorspellende dromen krijgen. En er zijn mensen die beweren: als je in de eerste van die twaalf nachten, dus op 25 december, een droom krijgt, slaat die op de eerste maand van het nieuwe jaar, enzovoort tot aan de droom op 5 januari, die dan iets zou zeggen over december.

Ik geloof erg in voorspellende dromen, ik heb er al heel wat gehad, maar volgens mij is het niet zo’n goed idee om te gaan zitten wachten op een voorspellende droom. Dan wordt de kans juist kleiner dat je er een krijgt. Want ze laten zich niet plannen.

En ook die indeling lijkt mij niet behulpzaam. Wat eruit spreekt, is controlebehoefte. We zijn allemaal wel een beetje controlfreak tegenwoordig; we denken dat het leven maakbaar is, dat we het zo kunnen regelen als we zelf bedacht hebben. Als het niet lukt, vinden we onszelf stom of we geven iets of iemand anders de schuld.

Maar als je de Twaalf of Dertien heilige nachten serieus neemt, begrijp je dat het juist gaat om vertrouwen op de geestelijke wereld. Het enige wat we kunnen doen is proberen zoveel mogelijk open te staan voor wat zich aandient en alles te accepteren wat er komt – ook als dat niets bijzonders is.

Dat zit naar mijn idee nou juist precies in de symboliek van die donkere tijd van het jaar. Uit het donker komt het nieuwe naar ons toe. We weten niet wat de toekomst is, we tasten letterlijk in het duister.
Wat we kunnen doen, is onszelf toestaan te vertrouwen dat het oké zal zijn wat er naar ons toe komt uit het donker. Zelfs als het moeilijk is, is het toch dat wat ons toekomt, omdat het bij ons hoort, omdat het ons iets leert, iets brengt dat we nodig hadden. Omdat de hemel nooit echt ver weg is, al lijkt het misschien zo. Dat kunnen we in de heilige nachten en dagen beter voelen dan ooit.